Terug naar hoofdmenu

De relatie tussen Rabelais, Thélème 2000
en onze eerste expositie

Tafelrede uitgesproken bij de officieuze opening van Thélème op zaterdag 2 december 2000


Bestaat er zoiets als heimwee naar de mythe? Het lijkt er wel op, want ondanks christendom en rationalisme is de westerse mens zijn belangstelling voor de Griekse goden en hun grillige avonturen nooit kwijtgeraakt. Met name in de kunst en in de literatuur zijn kerk en rede er niet in geslaagd de bewoners van de Olympus en hun aanverwanten overbodig te maken. Door de eeuwen heen hebben schrijvers, beeldhouwers én schilders teruggegrepen op het mythische erfgoed uit de oudheid.

Ook Hans Schreurs kan blijkbaar niet ontkomen aan deze aantrekkingskracht. Met name de aantrekkingskracht van de Griekse vrouwen met al hun dramatiek, lust, ijdelheid én onbedorvenheid is een inspiratiebron voor zijn serie schilderijen geweest. En zoals hij aangeeft: de moderne media maken inderdaad vaak gebruik van archetypische vrouwelijkheden. Vandaar het thema: 'Vrouw & Media'.

Het doet mij deugd dat ook de muzen in zijn werk vertegenwoordigd zijn. Zonder de muzen zou de wereld er maar grauw en lusteloos uitzien. Heleen en ik hopen dat Thélème een kleine bijdrage kan leveren aan het inkleuren van ons dagelijks bestaan. Even weg van stress of sleur met een goed glas wijn en een lekker etentje. Een mooi muziekstuk, een schilderstuk, een lezing of een dispuut. In deze volgorde? Jazeker! 'Érst kommt das Fressen, dann die Moral!

Ik wil alvorens wat te vertellen over Thélème- nog even nader ingaan op die mythen. Naast de kunst spelen de mythen ook een rol van betekenis in de filosofie. Echter, hier ligt de relatie ingewikkelder dan in de kunst en de literatuur.

Sinds Plato de dichters (van oudsher de vertellers bij uitstek van de oude mythen) de toegang tot zijn Ideale Staat ontzegde, is er sprake geweest van tweespalt. Het vaak immorele en perverse gedrag van de goden vond Plato een slecht voorbeeld voor de opgroeiende jeugd. En de betovering en verblinding die het vertellen van verhalen teweeg kan brengen, hielden de geest af van het logische denken. Dit laatste beschouwde Plato als de gouden weg naar de waarheid.

We zullen ons van dit erfgoed van hem maar niet te veel aantrekken: onze literaire salon mág plaats zijn voor rationeel dispuut, evenzéér echter voor vertellen en het aan elkaar voorlezen van fragmenten uit boeken die men op dat moment onder het hoofdkussen of op het nachtkastje heeft liggen.

In het licht van de logica is de Griekse godenwereld een polytheïstisch warboel. In de loop der eeuwen ruilde de filosofie met de niet geheel belangeloze steun van het joods-christelijk monotheïsme- deze in voor het ideaal van de ene ware God.

De secularisatie, die inzette met de Renaissance en die haar doel bereikte in de Eeuw van de Verlichting, heeft hieraan niets wezenlijks veranderd. Ook zonder het christelijk geloof bleven de meeste filosofen uitgaan van het bestaan van één wereld, één waarheid en één redelijkheid.

Pas na Nietzsche's verkondiging van de 'dood van God', ging het definitief bergafwaarts met de cultus van het Ene en het Ware. Daarvan profiteerden de mythen. De mythologie bestaat in wezen uit een onafzienbaar netwerk van pluriforme verhalen. Er ontstond niet zozeer een hernieuwd geloof in de Griekse goden, maar eerder een revival van het verhaal.

Er bestaat bij de mensen een onuitroeibaar verlangen boven zichzelf uit te stijgen;  aan transcendentie. Religie en filosofie kunnen dat sinds Nietzsche's 'Dood van God' maar ten dele bevredigen. Door de mythen wordt tenminste nog íets gered van wat verloren is gegaan. Laten we proberen de band met het verleden herstellen: de problemen waar het écht op aankomt zijn immers van álle tijden.

Tenslotte: Thélème.
Ik had het daarnet over de secularisatie die inzette met de Renaissance. Wat het vrije denken betreft waren er echter voorlopers. Te denken valt aan onze Rotterdamse Erasmus. Hij laat in zijn 'Lof der Zotheid' weinig heel van de fraaie buitenkant van het geloofsinstituut van de Katholieke Kerk. Erasmus correspondeerde met Francois Rabelais (1494-1553) en ideeën van Erasmus zijn dan ook terug te vinden in de literatuur van Rabelais. Onze Erasmus overleed in 1536. Hij was nou niet bepaald de vrolijkste.

Rabelais ongetwijfeld wel. Ingebed in een louterende stroom van grappen, en geplaatst in een wereld waar men van eten en drinken weet, schrijft hij zijn visie op de weg naar het geluk en een gelukkige samenleving. Zijn boeken: Gargantua en Pantagruel, bevatten alles wat een roman aangenaam maakt: een mengsel van humor en ernst, zelfironie, dolzinnige taferelen en een maatschappijvisie die in die tijd als een mokerslag moet zijn aangekomen. Rabelais wordt vaak geassocieerd met de rondborstigheid van Rubens, alleen komen bij hem uit die reuzenborsten enorme sloten wijn. Waarom Rabelais gekozen heeft voor reuzen als hoofdpersonen valt niet moeilijk te raden. Het perspectief van die reuzen stelt hem in staat te spelen met getallen, maten en gewichten. Het was ongetwijfeld ook een middel om de toenmalige censuur te ontduiken. Bij Rabelais wordt het (onder-)lichaam gevierd. De scènes van walmende urinestromen waardoor hele dorpen worden weggevaagd en obscene beschrijvingen van parende reuzen die elkaars spek opwrijven, zijn grotesk, en dus lachwekkend. Maar Rabelais ontwerpt méér dan een eeuwig soort carnaval in dit aardse tranendal.

Het boek is ook het ontwerp van een moraal, een blik op de wereld. De weg naar vreugde en gezondheid moet, zo meent Rabelais, niet slechts worden gegaan door de geest, maar ook door het lichaam. Alleen wanneer zij met elkaar in evenwicht zijn kan waarlijk van de zoete koek van de wereld worden genoten. Zo zijn we toch weer terug bij de oude Grieken: lichaam en geest zijn één.

De stichting van een utopisch klooster met de naam Thélème aan het eind van het deel over Gargantua, vormt daarvan de apotheose. Een klooster waarin alles is toegestaan en waarin mannen én vrouwen in vrijheid met elkaar leven. Zonder klok, zonder verplichtingen, zonder regels en... met alleen maar wenteltrappen. Omdat een mens nu eenmaal wil doen wat verboden is, zal hij in deze omstandigheden op natuurlijke wijze naar het goed neigen. Zíjn Thélème was een klooster, ons Thélème een kerk. 

Tot slot:
Eén van de verschillen tussen de mensen en de dieren is dat mensen kunnen lachen. Daarmee is zo ongeveer het belangrijkste onderscheid genoemd; mensen blijken voor het overige tot iedere beestachtigheid in staat. Het ongemak dat ze daarmee ervaren proberen ze vervolgens uit te wissen met behulp van wat in het theater heet: een bevrijdende lach. Om in stijl te blijven: een Homerische lach! 'Lachen is de mens eigen', schreef Francois Rabelais al viereneneenhalve eeuw geleden. Als medicus was hij van mening dat de lach iets medicinaals had. De medische wetenschap en zijn filosofisch-ethische wereldbeschouwing vinden elkaar hier in hetzelfde voorschrift: driemaal daags lachen en u geneest van alles. Behalve van uw zonden wellicht.

Zo werd het dan -tegengesteld aan de uitnodiging- toch nog: 'Erst kommt die Moral und dann das Fressen!' Het fornuis is warm, de magen knorren, ik dank jullie voor jullie aandacht en... smakelijk eten!


Roermond-Asenray 25 november 2000
Jo Stevens