LEZING OVER JO & HELEEN & THÉLÈME
30 NOVEMBER 2002

INLEIDING
Rabelais, Thélème, Pantagruel... Type de woorden in en een zoekmachine zoals Google doet de rest. Nou ja de rest... een stortvloed van duizenden pagina's tekst, verwijzingen en foto's wordt je beeldscherm uitgekotst! Selecteren, ordenen en dan nogmaals selecteren.... Laat ik maar  beginnen.Cyriel nog bedankt voor je artikel van Internet. Ik heb er veel aan gehad. Goed, maar wáár te beginnen? Ik stel voor in Merum. Hoofdstuk 1 oftewel...

VAN MERUM NAAR ASENRAY
Slechts twee personen waren op de hoogte: Antoine en mijn broer Jack. Die cryptische uitnodiging. 't  Kepèlke? Derde Kerstdag 1998. Ik zie ze nog komen: nieuwsgierig, stom, aangeslagen. Zijn Jo en Heleen nou helemáál gek geworden? ie gaat nou weg uit zo'n mooi huis? e buitenkant van het gebouw: er was veel fantasie nodig daar iets moois in te zien. De binnenkant? Dat viel nog wel mee. Maar ja... wat moet je met zo'n kale, lege kille ruimte? Het was stil de eerste tijd, een half jaar lang lieten zich slechts enkelen zien. Dat waren wij niet gewend. Het waren niet Heleen en Jo die men meed, men meed... het gebouw. Een gebouw waar de ramen uitgebroken waren, dichtgemetseld als een kadaver met uitgepikte ogen. Een gebouw als een verminderd septimeakkoord. Een wringend stelletje noten dat schreeuwt om een antwoord. En dat evenwicht is zo dichtbij als maar kan. Een half nootje omhoog en er is weer rust en evenwicht!

Dus... handen uit de mouwen. We gaan proberen  dat evenwicht te herstellen. Maar nu eerst... Merum. Merum... ontmoetingsplek voor zo velen, liefdesnest voor jong-verliefden. Merum met zijn trappen, zijn Franse sfeer, het mooie uitzicht en nog veel meer... was niet meer.Dat deed nog pijn.  Zoals sommigen weten bestonden de plannen echter al veel langer. 55+ en dan...?Om te beginnen was ons huis in Merum te klein voor de plannen die we wilden verwerkelijken.Voorts waren er waren ruimtelijke ontwikkelingen op microniveau: de gemeente die meende er nog wel een huis tussen te kunnen proppen. En ook op dorpsniveau: Herten bij Roermond en zie nu na 3 jaar het eindresultaat! Op nationaal niveau tenslotte: het gegeven dat we in Nederland onderhand in één grote stad wonen. Al deze ontwikkelingen stonden ons niet aan en versnelden de plannen aangaande een nieuw huis met nieuwe ideeën en impulsen. Of zoals Hans Schreurs het zo mooi verwoordde in zijn inleiding bij de Kookmap van 27 mei 2000:

"Het was in 1984 toen Jo en ik besloten samen een Indonesische Rijsttafel voor Peregrinus te maken. En wel met maar liefst 17 gerechten. Toen al wist Jo dat literatuur en goed eten onlosmakelijk verbonden zijn. Er waren toen ook schilderijen, aan de muren. Nu, zestien jaar later, zoeken Jo en Heleen opnieuw naar een symbiose: een echt samengaan van literatuur, beeldende kunst en gastronomie. Thélème wordt het begin. Een plek, een huis, een galerie, een podium, helemaal met eigen hand en naar eigen inzicht ingericht".

DE NAAM 'THÉLÈME'
In oktober 1998 werd de knoop doorgehakt. In alle stilte zijn we begonnen aan wat vaak genoemd wordt: 'de huizenjacht'. Thorn: Een herenhuis in Thorn met een prachtige Bel-etage, nét weg. Wilhelminalaan: Een grote gesloten hoeve midden in Maasniel: te duur. Ja, in woonhuizen waren we niet meer geïnteresseerd: utiliteitsbouw dat waren de juiste objecten! Posterholt: Een voormalig gemeentehuis in Posterholt: geen fraaie ligging en wel érg onderkomen. Bethlehemstraat: Een prachtig kantorencomplex midden in de binnenstad van Roermond: een redelijke prijs en inmiddels omgetoverd tot Bethlehemhof: nét weg! De oude school c.q. bibliotheek van Herten: (nog) niet te koop.

Tot op een zondagmorgen bij het doornemen van de woonkrant ons oog viel op een onooglijk klein fotootje: 'Dat lijkt wel een kerkje!'.Bed uit, auto in en op zoek. Asenray! Slechts één raam om naar binnen te gluren, naar de makelaar, optie nemen. Jack kon de zaak inspecteren en Antoine startte de financiële onderhandelingen. De ietwat oubollige voorlopige naam: 't Kapèlke' stond ons niet aan. Op zich een juiste lokale benaming. Het oude kerkje uit 1903. Hier twee foto's uit 1920. Doodzonde. Maar ja welke benaming dan? In de laatste maanden van 1998 las ik 's avonds in bed de boeken van Francois Rabelais: Gargantua en Pantagruel. Aan het einde van het deel over Gargantua werd een utopisch klooster gesticht met de welluidende naam: 'Thélème'. Dát was het. 'Thélème'... dat klonk in elk geval al goed. 'Thélème', een klooster, ons huis een kapel... Een klooster met maar één wet: " Fais ce que vouldras". "Doe wat je wilt", uitgebeiteld boven de grote deuren. Dat lijkt op een uitspraak van Augustinus. Maar die liet daar nog enkele woorden aan voorafgaan: 'Heb lief en doe wat ge wilt', d.w.z.: ons handelen moet wel genormeerd zijn door de liefde tot God en de naaste. (Belijdenissen 370 n C). Wist ik veel dat achter de naam 'Thélème' nog veel meer schuilging! Die abdij van de Thelemieten, een 'orde van de vrije wil' zoals Rabelais het zo fraai omschrijft. Het is een prachtige abdij met 9000 appartementen, luxueus gemeubileerd.

Hoe ontstond Thélème? In hoofdstuk 13 wordt een oorlog tussen Grandgoussier, de vader van Gargantua en een zekere Picrochole beschreven. Een monnik uit het klooster van Seuilly (Jan de Slager!) redt de abdij van de ondergang door zijn krachtdadige optreden. Ook de dorpen in de omgeving worden zo gespaard. Als dank wil Gargantua hem tot abt van het klooster benoemen maar dat wil hij niet. Als Gargantua dan toch écht iets wil geven moet hij maar meteen een geheel nieuw klooster stichten. Voorlezen uit boek blz 149. Zo gezegd zo gedaan: er werd een bouwtekening gemaakt en men kon gaan bouwen. Voorlezen uit boek Bakker blz 151. Hoe leefden de Thelemieten? De bewoners staan op en gaan slapen en eten, wanneer zij zin hebben en daar ze, zegt Rabelais, opgevoede lieden zijn, gaat dat allemaal goed. De vrijheid van de één wordt slechts beperkt door de vrijheid van de ander en door een verdere onbeperkte vrijheid ontstaat de meest volkomen harmonie. Een klooster waarin alles is toegestaan en waarin mannen én vrouwen in vrijheid met elkaar leven. Zonder klok, zonder verplichtingen, zonder regels en... met alleen maar... juist ja: wenteltrappen. Omdat een mens nu eenmaal wil doen wat verboden is, zal hij in deze omstandigheden toch op natuurlijke wijze naar het goed neigen.

Deze optimistische mensvisie, die de macht van de zonde ontkent, beheerst het hele boek. Daarbij overschat de auteur schromelijk het vermogen van de mens om niet te zwichten voor kortzichtige belangen. Het is een sprekend voorbeeld van een humanistische ethiek. En wat een verschil met bv Thomas Hobbes (1651) die 100 jaar later schrijft: 'Homo homini lupus'  Het is een wereld die in sommige opzichten doet denken aan Thomas More's Utopia (1517). In Thélème gaan man en vrouw hoofs met elkaar om en staat de studie centraal. Het is een aristocratische gemeenschap, waarin ook de Rabelaisiaanse 'levensvreugde' centraal staat, maar dan op een hoger plan. Het is een vorm van evangelische vreugde, die erasmiaans aandoet, maar tegelijk teruggaat op talloze middeleeuwse pogingen terug te keren naar een evangelisch leven. Vandaar dat de inscriptie op de toegangspoort van het utopische klooster zegt: 'Wees welkom, u, die op een prettige manier/ Het heilig evangeliewoord verkondt./ Wij bieden u een wijkplaats hier/ Ver weg van 's werelds boos getier'./Maar het heet ook: Voorlezen Boek Bert Bakker blz 154 'Hier is geen plaats voor .........

Tot zover de náám 'Thélème' bij Rabelais. Maar wat betekent het wóórd 'Theleme'? Het woord 'Thélème heeft Rabelais ontleend aan het Nieuwe Testament waar het, afgeleid van het Griekse woord 'Telema', zeker 60 keer gebruikt wordt om 'De wil van God' aan te geven. Toen we afgelopen zomer van Kaapstad naar Franschhoek reden passeerden we het een van de vele prachtige wijnhuizen met de naam - u raadt het al - "Thelema".

FRANCOIS RABELAIS
Vorig jaar (1993) werd in Frankrijk net als elf jaar daarvoor de vijfhonderdste geboortedag gevierd van François Rabelais (1483?-1553). Veel afbeeldingen bewaard gebleven. Wie was François Rabelais? François Rabelais was een Frans franciscaanpriester, arts, humanist en schrijver uit de 16de eeuw. Omwille van zijn scherpe satires moest hij zich regelmatig verdedigen en had hij politieke beschermheren nodig. Hij werd geboren in Seuilly. Een dorpje vlakbij bij Chinon, département Indre et Loire. Zijn vader was advocaat en het was een gegoede familie. Zijn moeder schreef zich Frapin. Een familie die al generaties lang en wel sinds 1210 in de Charente woont. Charente? Cognac? Juist ja. François Rabelais die als moeder Anne Catherine Frapin had; Pierre Frapin, apotheker van Louis XIV die hem in 1696 het wapenschild van de familie schonk; Pierre Frapin die aan het eind van vorige eeuw een handelshuis voor cognac sticht en tenslotte Geneviève, zijn kleindochter, die vandaag de leiding van het huis Frapin waarneemt.

Francois Rabelais verbleef tot ongeveer 1525 in een franciscaner klooster, waar zijn medekloosterlingen hem de studie onmogelijk maakten en zijn Griekse boeken in beslag namen. Hij trad toe tot de benedictijner orde, maar verliet ook die in 1527. Na zijn studie aan de medische faculteit in Montpellier vertrok Rabelais in 1540 naar Turijn omdat de maatregelen tegen hervormden en humanisten waren verscherpt. In Turijn werkte hij als arts van de onderkoning van Piemonte. Rabelais wordt door strenge calvinisten in Genève maar ook door een verlichter als Voltaire afgeschilderd als een decadente praatjesmaker die staat voor het verval van de middeleeuwse kerk. Hij wordt geportretteerd als een erasmiaans humanist, die de vloer aanveegt met de middeleeuwse normen en waarden en met de middeleeuwse filosofie.

Hij is dus een man die net als onze Rotterdamse Erasmus de wereld een spiegel der zotheid voorhoudt. Deze laat in zijn 'Lof der Zotheid' weinig heel van de fraaie buitenkant van het geloofsinstituut van de Katholieke Kerk. Erasmus correspondeerde met Francois Rabelais (1494-1553) en ideeën van Erasmus zijn dan ook terug te vinden in de literatuur van Rabelais.

Onze Erasmus overleed in 1536. Hij was nou niet bepaald de vrolijkste. Rabelais ongetwijfeld wel. Ingebed in een louterende stroom van grappen, en geplaatst in een wereld waar men van eten en drinken weet, schrijft hij zijn visie op de weg naar het geluk en een gelukkige samenleving. Hij wordt ook veroordeeld als een levensgenieter en zelfs als een atheïst, die zich de uitspraak van Aristoteles in 'De partibus animalibus' - 'Lachen is eigen aan de mens' - al te zeer ter harte neemt. Rabelais wordt getypeerd als de laatste grote middeleeuwse volkstaalschrijver,die de middeleeuwse volkse spot- en folklore-traditie in zijn reusachtige epos van vijf dikke boeken incorporeert.

Rabelais is een echte humanistische homo universalis, een geleerde met een encyclopedische kennis, die Frans, Italiaans, Latijn en Grieks spreekt, lees en schrijft, en die op latere leeftijd nog Hebreeuws leert. een geleerde ook die correspondeert met alle groten van zijn tijd. Er zijn even goede argumenten om grote delen van zijn oeuvre middeleeuws te noemen, daar ze teruggrijpen op aloude middeleeuwse literaire spottradities. En beide hoofdrolspelers van zijn boeken, de reuzen Pantagruel en Gargantua bestonden als volkse karakters al lang voordat ze in de romans van Rabelais worden opgevoerd. De reus Gargantua en diens ouders Grandgoussier en Grandgamelle zijn zelfs verbonden met mythische en bij wijlen feeërieke sfeer van tovenaar Merlijn en koning Arthur. Pantagruel schijnt van oorsprong een klein duiveltje te zijn geweest uit de volksverbeelding, dat zout strooide in de monden van slapende mensen, en ze daardoor een onlesbare dorst bezorgde. Het neefje dus van onze Klaas Vaak. Het kleine en naargeestige duiveltje dat anderen dorst bezorgt wordt in de romans van Rabelais een zeer sympathieke dorstige reus. Een procédé van omkering dat telkens weer opduikt in het werk van Rabelais. Het gebeurt met humoristische omkering en grove humor en volgens sommigen is dit het typische kenmerk van de laat-middeleeuwse carnavaleske volkscultuur. Op dit carnaval kom ik zo dadelijk nog even terug.

GARGANTUA EN PANTAGRUEL
In de loop van 30 jaar publiceerde hij het hilarische verhaal van Gargantua en Pantagruel. De beide reuzen, vader en zoon, beleven de meest potsierlijke avonturen. Veel samenhang in de verhalen is er niet. Rabelais wilde aantonen, wat er allemaal niet deugt in kerk en samenleving, en hoe het beter zou kunnen. Hij gebruikte de satire als middel, om zich de autoriteiten van het lijf te houden. Bijna mislukte dit. Zowel vorsten als de paus namen hem keer op keer in bescherming.In die verhalen, die hij onder een pseudoniem uitgaf, haalt Rabelais uit naar het middeleeuwse bijgeloof van heersers, en naar de scholastische 'magie' die hen daarvan diende te genezen. Het is een humoristische, omgekeerde utopie, die even uitgesproken is als de positieve droomstaten van Thomas More of van Plato. De Sorbonne verfoeide zijn werk. De Franse koning liet zich het werk echter voorlezen en vermaakte zich er kostelijk mee, zodat Rabelais het zelfs aandurfde de latere delen onder zijn eigen naam uit te geven.

Zijn boeken Gargantua (1535) en Pantagruel (1532), bevatten alles wat een roman aangenaam maakt: een mengsel van humor en ernst, zelfironie, dolzinnige taferelen en een maatschappijvisie die in die tijd als een mokerslag moet zijn aangekomen. Rabelais wordt vaak geassocieerd met de rondborstigheid van Rubens, alleen komen bij hem uit die reuzenborsten enorme sloten wijn. De wijn is het levensbeginsel van Gargantua en Pantagruel. De wijn, dat kostbare en kostelijke vocht, is bron van warmte, vriendschap én vergetelheid. Zolang men zich maar niet overgeeft aan het exces. Rabelais' werken lezen als een brevier. Kleine stukjes tekst die men in alle rust en al proevend tot zich neemt. Het woord brevier duikt vaak bij hem op en het leuke is dat het zowel 'bijbeltje' als 'zakflacon' kan betekenen.

Als je er te lang in leest overvalt je een soort woorddronkenheid. De gistende golf van grappen, woordspelingen, paradoxen en schijnargumenten is zó heftig dat je er bij tijd en wijle duizelig van wordt. Met kleine teugjes dus, anders vallen zin en onzin niet meer te scheiden. De poep- en piesgrappen waarmee je als lezer wordt overspoeld ontnemen je vaak het zicht op de serieuze lading die eronder zit. Waarom Rabelais gekozen heeft voor reuzen als hoofdpersonen valt niet moeilijk te raden. Het perspectief van die reuzen stelt hem in staat te spelen met getallen, maten en gewichten. Het was ongetwijfeld ook een middel om de toenmalige censuur te ontduiken. Bij Rabelais wordt het (onder-)lichaam gevierd. Dat is wel even anders dan bij de eerder genoemde Augustinus die (Cyriel) 'eerst van het ganse vèrke hèt gevrète' en toen anderen elk genot ontzegde. Het optimisme van Rabelais tegen het pessimisme van Augustinus? Dat is natuurlijk te simpel maar laten we Augustinus nog één keer aan het woord: 'We worden geboren tussen poep en pies'.  Nee dan Rabelais: de scènes van walmende urinestromen waardoor hele dorpen worden weggevaagd en obscene beschrijvingen van parende reuzen die elkaars spek opwrijven, zijn grotesk, en dus lachwekkend. Maar Rabelais ontwerpt méér dan een eeuwig soort carnaval in dit aardse tranendal. Het boek is ook het ontwerp van een moraal, een blik op de wereld. De weg naar vreugde en gezondheid moet, zo meent Rabelais, niet slechts worden gegaan door de geest, maar ook door het lichaam. Alleen wanneer zij met elkaar in evenwicht zijn kan waarlijk van de zoete koek van de wereld worden genoten. Zo zijn we dan weer terug bij de oude Grieken: lichaam en geest zijn één.

De ideeën van gezag, staat en autoriteit ondervinden in de geschiedenis steeds kritiek, en ideeën van anti-autoriteit, gezagloosheid en van vrije autonome gemeenschappen worden er tegenover gesteld. Thomas More publiceert in 1517 zijn "Utopia" - waaraan deze gehele soort van literatuur zijn naam ontleent - een ideale gemeenschap, waar de staat alles in handen heeft en alles regelt Twintig jaren later schrijft de satiricus François Rabelais, beïnvloed door de katholiek-humanistische kringen van Thomas More, dus zijn zeer libertijns geschrift "Gargantua"(1535).

Té liberaal volgens velen in zijn tijd en zelfs tot in de vorige eeuw! Een korte bloemlezing:1533: De Sorbonne veroordeelt het eerste boek van Pantagruel, als obsceen. De eigenlijke reden was echter de humanistische inslag en de ketterse tendensen van het boek. 1535: Een pauselijke bul ontheft Rabelais van de kerkelijke censuur. De Kerk spreekt zich telkens tegen de boeken uit  maar ze worden even zo vrolijk overal gelezen en Rabelais bleef in hartelijke relatie staan tot kardinalen en paus, terwijl hij tot het eind van zijn leven kerkelijke functies bleef vervullen.
1546: Het derde boek verschijnt met koninklijk privilege. Hoewel Rabelais fel partij kiest voor koning Frans I in zijn strijd tegen keizer Karel V. wordt het boek in Frankrijk toch onmiddellijk na verschijnen verboden.
1552: Het vierde boek wordt eveneens verboden. In het boek doet Rabelais een felle aanval op de wereldlijke macht van de paus.
1554:Door toedoen van monseigneur Odet, kardinaal van Chastillon, aan wie Rabelais zijn vierde boek opdroeg, maakt Hendrik II het verbod op het werk van Rabelais ongedaan.
1564: e werken van Rabelais worden door de RK-Kerk op de Index geplaatst (nihil obstat)
1930: In de Verenigde Staten wordt het importverbod op edities van Gargantua en Pantagruel opgeheven, met uitzondering van die edities die zijn geïllustreerd met 'obscene' tekeningen.
1938: In Zuid-Afrika wordt al het werk van Rabelais juist verboden! "Hij mist het meest elementaire schaamtegevoel; zijn taal slaat dikwijls over tot het obscene; hij bekladt en besmeurt dan alles wat heilig en eerbiedwaardig is, en begraaft het onder zijn schampere spot. Zijn werk is uit elk oogpunt verderfelijk".

In het werk van Rabelais zijn talloze sporen aan te treffen van zijn ontzagwekkende belezenheid, waarmee hij zelf ook weer uitgebreid de spot drijft, en van zijn minachting voor het gebouw van het middeleeuwse weten en voor de middeleeuwen zelf, een tijd waarin de klassieke auteurs zouden zijn versmaad. Een tijd ook die volgens hem gelukkig voorbij is. In feite persifleert hij beide idealen. Hij spot zowel met de starre scholastiek als met de nieuwe, renaissancistische opvoeding, twee systemen waarmee Gargantua zijn zoon wil klaarstomen voor de troon. In een eerste fase van het verhaal moet Pantagruel in de leer gaan bij een leermeester die hem enkel allerlei Latijnse boeken uit het hoofd doet leren, waaronder enkele bij naam worden genoemd (o.a. de grammatica van Donatus). Eén boek kan Pantagruel zelfs omgekeerd opzeggen, zonder veel van de inhoud te snappen, een duidelijke verwijzing naar de fixatie op autoritaire Latijnse bronnen van de scholastiek. Overigens duurt de totale scholastieke opleiding in dit verhaal meer dan 35 jaar. In de tweede fase moet de kroonprins zeer vroeg opstaan om een uiterst gevulde dag te beginnen: luisteren en discussiëren over de lesonderwerpen, lezen, kaatsen, uit het hoofd citeren, paardrijden, koken, varen, musiceren, wapens oefenen, om 's nacht nog met zijn leermeesters sterren te bestuderen. Zelfs op het toilet wordt hem nog leerstof voorgelezen. Vaak is Gargantua met twee activiteiten tegelijk bezig. Het encyclopedische van de renaissancistische opvoeding staat hier centraal: klassieke studies, gecombineerd met natuurobservatie, lichamelijke training en muzische vorming.

HET 'PANTAGRUELISME' IN HET WERK VAN RABELAIS
Al in zijn voorwoord spreekt Rabelais van 'pantagruelisme'. Het moet zoiets als een leer, een doctrine uitdrukken. Het blijkt de weg naar gezondheid, vrede en vreugde. Motor van dit alles is natuurlijk de lach. De lach van Rabelais. In de tafelrede bij de opening van Thélème heb ik daar al eens kort bij stilgestaan. Ik citeer uit die rede: "Lachen is de mens eigen', schreef Francois Rabelais al viereneneenhalve eeuw geleden. Als medicus was hij van mening dat de lach iets medicinaals had. De medische wetenschap en zijn filosofisch-ethische wereldbeschouwing vinden elkaar hier in hetzelfde voorschrift: driemaal daags lachen en u geneest van alles. Behalve van uw zonden wellicht". De lach van Rabelais draait heel vaak om drinken, eten en seksualiteit. In de eerste plaats getuigt zijn oeuvre van een ware 'joie gourmande' en besteedt het erg veel aandacht aan alle lichamelijke functies die met eten en drinken samenhangen. Het kwam al eerder ter sprake: alle romanpersonen van Rabelais houden van wijn. En elke keer als eten ter sprake komt is wijn van de partij. Om met broeder Jan de Slager te spreken, een van de centrale figuren in de Gargantua: 'Nooit zal een nobel mens de goede wijn versmaden: dat is een monniksspreuk.' of: 'Een gezonde ziel kan niet in een droog lichaam leven'.

Daarnaast tonen alle personen een obsessie voor alles wat met gebraden en geroosterd vlees te maken heeft. Er wordt een behoefte tot zwelgen in botgevierd die we ook tegenkomen in veel laatmiddeleeuwse volkstaalliteratuur. Zo zijn er uitvoerige zwelgscènes in de Roman de Renart, de Roman de Perceval en het werk van François Villon (La ballade des Pendues). Niet voor niets heten tientallen restaurants over de hele wereld Rabelais of Chez Rabelais! Het is een thema dat volgens sommige historici alles te maken heeft met de precaire voedselsituatie voor grote delen van de bevolking gedurende delen van het jaar. Rabelais haakt in op populaire mythes van het land van Cockaygne waar altijd overvloed is (denk aan de schilderijen van Breughel). De ongelooflijke verve waarmee Rabelais de menselijke lichamelijke functies beschrijft en bespot hangen zonder twijfel deels samen met zijn beroep: hij studeerde medicijnen in Montpellier en Lyons en was jarenlang praktiserend geneesheer. Hij wist alles van Galenus en was op de hoogte van de nieuwste anatomische ontdekkingen. De nadruk op de scatologie (aandacht, liefde voor alles wat met uitwerpselen te maken heeft: skyten, schijten) is tevens een andere middeleeuwse erfenis die we terugvinden in het heldendicht, het populaire theater, de fabels en kluchten van de late middeleeuwen.

Overal waar het maar even mogelijk is gaat Rabelais in op de lichamelijke liefde, en de aandacht voor de seks gaat vaak samen met exhibitionisme. Liefst neemt Rabelais tegelijk met de seksuele daad de vrouw op de korrel. Zo bespreekt Pantagruel de strategische voordelen van een verdedigingsmuur gemaakt van vrouwelijke geslachtsdelen. En op een ander moment geeft Panurge, een van Pantagruel's metgezellen, uitleg van een profetie die luidt: 'Mijn vrouw zal me villen, maar niet geheel'. Dit nu wordt als volgt uitgelegd: 'In het begin der wereld, of kort daarop, spanden de vrouwen samen om de mannen levend te villen, omdat ze overal de baas over wilden spelen. En dit besluit werd tussen hen opgemaakt, bevestigd en bezworen bij het gebenedijde bloed. Maar o ijdel ondernemen van dit vrouwenvolk! Zij begonnen hun mannetjes te villen bij het deel dat hen het meest behaagde: het gespierd en te zwellen neigend lid; en hoewel ze er nu meer dan zes duizend jaar mee doende zijn, zijn ze met het villen niet verder gekomen dan het kopje! Uit ergernis hierover snijden de Joden en de Arabieren zichzelf daar het vel los, want liever nog worden ze besneden dan door vrouwen ontveld te worden, zoals bij de andere naties'.

Naar het schijnt werd dit soort humor nog in de 16e eeuw geapprecieerd, zelfs aan het hof van iemand als Marguerite van Navarra. Pas in de 17e eeuw raakt het door het 'beschavingsoffensief' voor lange tijd volstrekt in diskrediet. De grollen en grappen van Rabelais zijn soms van een absurde wreedheid en scheppen behagen in bloederige en anatomische details. Zo ontdoet broeder Jan de Slager, een van de hoofdrolspelers in de Gargantua zich op de volgende manier van zijn bewakers: 'Zijn degen toen plots trekkend, trof hij de boogschutter die rechts van hem stond, en sneed hem de halsslagaderen benevens de huig helemaal door tot op de schildklier, en zijn wapen terugtrekkend, spleet hij hem het ruggenmerg tussen de tweede en de derde wervel. De boogschutter viel morsdood neer. De meeste tegenstanders van de romanhelden worden zonder pardon omgebracht of vallen letterlijk ten prooi aan nare 'practical jokes', soms met dodelijke afloop.

BETEKENISLAGEN
Het oeuvre van Rabelais is meer dan een lange reeks grappen en grollen. Het is niet enkel carnaval, maar ook ernst. En het is niet alleen schoppen tegen maar ook gebruik maken van. Op talloze plaatsen in de Pantagruel en vooral in de Gargantua wordt zichtbaar hoe Rabelais speelt met de middeleeuwse bijbelexegetische theorie (bijbeluitleg), die voorbij de letter een diepere betekenis in de tekst ontwaart. De prachtige uitgave van de Arbeiderspers uit 1956 met afbeeldingen van Gustav Doré bevat de vertaling Sandford. Een literair meesterwerk. Oud Frans zo te vertalen. Om u een beeld te geven enkele afbeeldingen. Al in de proloog van de Gargantua wordt de lezer opgeroepen oog te hebben voor de diepere zin van zijn werk:
'Gij, mijn goede volgers, en welke andere gemakzuchtige gekken ook, wanneer ge van onze boeken slechts de jolige titels leest: 'Gargantua', 'Pantagruel', 'De eerzame gulp', 'Spek en bonen met de saus', is het gemakkelijk u in te beelden dat er slechts sprake is van spotternijen, malligheden en lollige leugens; gij zoekt niet verder: gij bepaalt u tot het uitwendig hulsel [...]. Derhalve open het boek en overweeg zorgvuldig wat erin wordt aangetoond. Alsdan zult gij inzien dat het goedje dat er in besloten is, voorwaar van heel andere waarde is dan de doos verwachten deed.'

Tot zover de gekuiste versie van Sandfort. Théo Buckinx vertaalt echter ook de allerlaatste alinea. En wel als volgt: Bert Bakker: blz 13 De zinsnede 'Ik drink altijddurend. Bij mij is het eeuwig gezuip en zuiperij in de eeuwigheid', is niets anders dan een toepassing van en een woordspeling op Boethius' definitie van eeuwigheid. (In de Vertroosting van de filosofie, boek. 5, pros. 6 Aeternitas est interminabilis vitae tota simul et perfecta possessio, sterk neo-platonisch getint). (Romeins filosoof en politicus). De spot die Rabelais hier voert met de scholastieke begrippen door ze op de drank en het zuipen toe te passen valt volledig binnen het stramien van de middeleeuwse geleerde satires op scholastieke scherpslijperij. In zijn poging zich te bevrijden van middeleeuwse gedachtespinsels toont Rabelais zich een waardig erfgenaam maar ook leerling van het scholastieke curriculum dat verstikkend was. Het is verleidelijk om in het oeuvre van Rabelais de middeleeuwen uitsluitend te zien als bron voor vermaak, als stofleverancier voor zijn verhalen; en om zijn opbouwende stukken te zien als de humanistische inbreng. In die serieuze gedeelten beschrijft hij een leven in studie, matigheid, wijsheid en tolerantie. Dit blijkt in de eerste plaats uit de passages over de opvoeding van Gargantua en Pantagruel, een opvoeding hen die volgens Rabelais moet vormen tot de homo universalis in humanistische zin. Hij is nog ver verwijderd van het raison d'état-denken dat in het zestiende-eeuwse Italië (Macchiavelli: Il Principe, De Vorst) opkomt en dat een echte vernieuwing betekent. Er zit een diepere kant aan de humor. Middeleeuwse auteurs maakten vaak gebruik van grappige vormen van compositie om hun 'ernstige' en opvoedkundige doelen te bereiken. Er bestond een hang naar vermenging van genres en stijlen om ernst en vermaak met elkaar te confronteren. Dit thema van stijlvermenging werd door Eco in 'De naam van de roos' op vele manieren gebruikt, bijvoorbeeld waar gesproken wordt over Adelmo de vermoorde boekverluchter die gespecialiseerd was in marginalia: kleine kunstige afbeeldingen op de rand van het blad. (Film, ombladeren, gif, digitalis). Marginalia staan letterlijk in de marge van een vertoog dat -in een kloosterscriptorium- de waarheid belichaamt. De marginalia echter tonen een vertoog van het bedrog, van het onmogelijke en het wonderlijke. De tekenaar tekent in feite een omgekeerde wereld, waarin erg veel aandacht is voor het lichamelijke en het monstrueuze. Daarmee zijn de marginalia een commentaar op de waarheid van de tekst.

DE MIDDELEEUWSE SEMIOTISCHE ORDE
In dit systeem presenteerde een intellectuele elite een vrij nauw omschreven en overheersend betekenissysteem als dé 'waarheid'. Daar staan dan 'afwijkingen' (ketterijen en 'zondig' gedrag) tegenover, die soms als spiegelbeeld tijdelijk worden geaccepteerd maar meestal vervolgd.  Alle dingen die geen vaste betekenis krijgen binnen de heersende semiotische orde bestaan eigenlijk niet, of liever gezegd ze worden als vreemd en bedreigend ervaren. Denk aan de vrouw, uitingen van niet religieuze volkscultuur, hekserij e.d. En daar moet op een of andere wijze hetzij disciplinerend of anderszins tegen worden opgetreden. Heksenverbrandingen. In Roermond de laatste in 1632! Men kan in dit kader ook denken aan de carnavalstijd die alle normen omdraait juist om de verhoudingen in de normale wereld te accentueren en te versterken. De socioloog Zijderveld noemt dit de spiegelfunctie van de nar. In het carnavaleske wordt deze angst overwonnen. Hiërarchische structuren, morele principes en natuurwetten worden uitgelachen in een universeel carnaval dat de spot drijft met alle vanzelfsprekendheden. De leegte van het bestaan wordt verwelkomd als vrijheid -niets hoeft meer, alles mag. Hoewel álles? Voorlezen blz 35 Jan Laughs. Het wereldwijde bal masqué waaraan zelfs alle wetten en waarden meedoen is in feite een démasqué van de wereldorde -een humoristische weergave van de werkelijke orde (ofwel chaos) die de normale wereldorde tracht te verbergen. Men ervaart deze tegenstelling dan niet als tragisch maar als bevrijdend.

De middeleeuwse taalopvoeding is gegrondvest op het geloof dat idealiter de taal, mits op geschikte manier gebruikt, de ultieme goddelijke werkelijkheid uitdrukt. Maar de menselijke taal schiet bij het uitdrukken van die ultieme werkelijkheid altijd tekort: dit is het centrale thema van de middeleeuwse theologie. Dit zou komen door de eindige en door de zonde aangetaste verstandelijke vermogens van de mens. Semantiek help hier niet meer maar w komen wel dicht in de buurt van de semiotiek: de leer der tekens. Cyriel heeft daar in zijn lezing als eens uitvoerig bij stilgestaan. Daarom schreven veel kloosterregels zuivere stilte voor, enkel onderbroken door de liturgie. Maar dan zijn we aangeland bij het Gregoriaans.

Deze geesteshouding staat eveneens aan de basis van een lange traditie van vijandigheid ten opzichte van al het komische. De lach wordt hoofdzakelijk gezien als een manifestatie van het duivelse. Kerkvaders als Clemens van Alexandrië en Hiëronymus veroordelen de lach en de humor, daar Christus nooit gelachen zou hebben en de Bijbel, met name het Nieuwe Testament, het lachen in de meeste omstandigheden verbiedt. Lachen is in de eerste plaats een teken van lichtzinnigheid en trots, de oorzaken bij uitstek van de zondeval. Ook het zesde hoofdstuk van de kloosterregel van Benedictus is over het algemeen zeer negatief over luchthartigheid en humor. Benedictus zegt stellig: 'Aangezien de Heer mensen die nu lachen zal veroordelen is het zonneklaar dat er voor de gelovige ziel nooit een tijd van lachen bestaat.' Daarnaast is er in de dominante semiotische orde toch ook plaats voor humor maar dan wel ten koste van het vreemde en bedreigende: duivelshumor en humor ten koste van vrouwen, ketters en andere outcasts zoals de genoemde heksen. Deze humor dient ter zelfbevestiging en was zeer bruikbaar voor anekdotes in het pastorale werk. Deze humor, die soms vrij platvloers kan zijn, wordt soms op onverwachte plaatsen aangetroffen, bijvoorbeeld in heiligenlevens.

DE GROEIENDE ROL VAN HET KOMISCHE
Een aantal historici benadrukken de groeiende rol van het komische in de latere middeleeuwen. Dat zou deels te maken hebben met een andere visie op de menselijke natuur. Langzaam ontdekt men nieuwe manuscripten. Door Griekse en Arabische filosofische speculaties wordt vanaf de 12e eeuw het vermogen tot lachen opgevat als eigen aan de mens. Humor en lachen is dan niet zondig op zichzelf omdat het een uiting is van een door God aan de mens gegeven natuurlijk vermogen. De vraag blijft uiteraard wanneer lachen betamelijk is.

De groeiende rol van het komische wordt ook gekoppeld aan de opkomst van een volkstaalcultuur. Nieuwe sociale groepen verwerven zich een plaats onder de zon en voelen zich aangespoord zich af te zetten tegen dominante geestelijke waardepatroon, waar ze ook de hypocrisie van aan de kaak willen stellen. Deze nieuwe sociale groepen zijn tevens geneigd nieuwe vormen van zelfspot te ontwikkelen en nieuwe groepen marginalen en outcasts aan te wijzen die belachelijk kunnen worden gemaakt ter versterking van het zelfbeeld. De humor in de volkstaalliteratuur, zoals die bijvoorbeeld wordt aangetroffen in de fabliaux en in de vastenavond literatuur. Lichaam en ziel van de mens worden ook door de bedelmonniken gepresenteerd als een eenheid, die samen de persoon uitmaken. Het zijn in de late middeleeuwen vooral de Franciscanen die de positieve betekenis van het lichaam onderkennen. Franciscus van Assisi combineert het dagelijks lijden van Jan Modaal met het lijden van de méns Christus.

Zelfs een lichamelijke functie als de seksualiteit kan door Franciscaanse predikers behandeld worden als iets dat een religieuze dimensie heeft. Zo betoogt de Franciscaanse predikers niet alleen dat het huwelijk goed is maar ook de seksuele daad in het huwelijk niets met zonde heeft uit te staan. De mens maakt dan slechts gebruik van zijn natuurlijke vermogens. Seks is zelfs heel noodzakelijk, anders kon de menselijke soort niet bestaan. En, geheel Aristotelisch: als het doel goed is, dan is ook het gebeuren (het middel) goed. Het lichaam en de lichamelijke functies worden zo opgewaardeerd. Eigenlijk is de gehele schepping gemaakt ten dienste van het menselijk lichaam, want de menselijke ziel heeft geen voedsel, geen wereld en dergelijke nodig. Voordat Rabelais in 1523 de wereld introk om nieuwe kennis te verkrijgen, maakte hij twaalf jaar deel uit van de orde der Franciscanen, en wel van de strenge observantenbeweging: de groep die zich het erg veel gelegen liet liggen aan het oorspronkelijke levensideaal van de ordestichter Franciscus van Assisi. Rabelais bleef lang genoeg in de orde om alle religieuze wijdingen tot en met het priesterschap te ontvangen.

RABELAIS EN DE MIDDELEEUWEN ALS BRON VAN VERMAAK
De voormalige Franciscaan Rabelais is in elk geval een waardig erfgenaam van de dubbelslachtige laatmiddeleeuwse komische erfenis. Hij buit de middeleeuwen uit als bron van vermaak. Zijn `joie de vivre' en zijn lach moeten vooral opgevat worden als een subversieve kracht ten dienste van een gewilde modernisering en een gewilde morele hervorming. Daarmee schaart Rabelais zich onder een lange reeks hervormingsgezinde intellectuelen uit de late middeleeuwen en de renaissance. Net als veel van zijn voorgangers en sommige van zijn tijdgenoten hanteert Rabelais het komische, dat telkens ingaat op alles wat in de dominante cultuur een lage, bedenkelijke, of in ieder geval ambivalente status heeft. Hij gebruikt dit komische als een kracht om veranderingen te initiëren en misstanden aan de kaak te stellen. Maar ook in zijn geval roept dit soms repressie op. Zijn werken werden niet voor niets zowel door de calvinisten in Genève als door het contrareformatorische katholieke gezag tot verboden lectuur verklaard. Men kan in de Gargantua en de Pantagruel een manifestatie zien van het nieuwe renaissancistische mensbeeld. Maar evengoed kan men deze werken opvatten als een uitvloeisel van de `joie populaire' van de late Middeleeuwen, die over het algemeen democratischer is dan de elitaire geesteshouding van de renaissance-intellectueel. Rabelais is niet enkel een vooruitstrevend humanist maar ook een verlate vertegenwoordiger van de laatmiddeleeuwse levenslust.

In de eerste twee delen voeren oorlogen, vreetpartijen en andere excessen de hoofdrol. In de latere drie delen verdwijnt de nadruk op de lichamelijke reusachtigheid en gaat het meer over de gigantische problemen van de aanstormende moderne tijd. Hoe dan ook, de toekomst is niet aan deze spotliteratuur maar aan de dorre en pessimistische werken van de reformatorische en contrareformatorische zedenmeesters maar gelukkig eveneens aan de verfijnde en ingetogen werken van Michel de Montaigne (1533-1592) die kort daarop zouden verschijnen. (Essays: schitterende stijl en scherpzinnige analyses van menselijke problemen).

TERUG NAAR THÉLÈME, TERUG NAAR ASENRAY.
Ik hoop dat u inmiddels begrepen hebt waarom 'Thélème' als naam ons aansprak. Ook ik kwam er gaandeweg achter dat er veel meer achter zit dan men op het eerste gezicht voor mogelijk houdt. Als we alleen al kijken naar de vertalingen van zijn werk is Rabelais nog steeds actueel. Ik wil besluiten met een terugblik, een paar zinnen nog uit de tafelrede, gehouden bij de officieuze opening van Thélème op 2 december 2000: "Deze avond is de afsluiting van een jaar en tien maanden verbouwen, veel overleg maar ook heel veel wijn en vaak lekker eten. Deze avond is tevens het begin van Thélème. Een kerk zonder altaar maar mét bakplaat. Een gebouw, geschonden door de tijd, maar hopelijk keert de spiritualiteit er in terug. Thélème dat zijn Heleen en Jo. Het zijn echter vooral de bezoekers,  de gasten die Thélème moeten maken tot datgene wat wíj er ons van voorstellen. Kloosters waren in de middeleeuwen centra van gastvrijheid. Wij hopen dat Thélème dit ook wordt. Bevrijd van haar dichtgemetselde ramen, met een open deur en een bel die nog steeds kapot is. Eerlijk is eerlijk, deze avond is ook een try-out voor de nieuwe keuken.  Zo combineren we het nuttige met het aangename!" Bezien we het programma van Thélème van de afgelopen twee jaar, dan denk ik dat we - tenminste voor een deel- in de voetsporen van Rabelais zijn getreden. We hebben zijn Thélème in elk niet te schande gemaakt!

Een kleine greep:Muziekuitvoeringen, van middeleeuws tot modern, diners, kookcursussen, gedichtenmiddagen,wijnproefavonden, lezingen..... en zelfs complete slachtpartijen. Het hééft allemaal plaatsgevonden of het gáát nog plaatsvinden. Welkom in Thélème, welkom bij Heleen en Jo! Ik dank jullie voor jullie aadacht!

Asenray, november 2002,
Jo Stevens